|
Werk in cacao soms gewoon een baan
Niet
alle chocolade komt van West-Afrikaanse kindslaven. Volgens een Amsterdamse
onderzoekster krijgen veel van die kinderen betaald en zijn ze daar trots
op.
Marianne Lamers
Kindslaven in de cacaoindustrie. Chocolade-eter Teun van de Keuken liet zich
er voor aanklagen. Maar hoe 'bitter' is de choco-ladereep die we eten?
Cultureel antropologe Albertine de Lange (29) is gespecialiseerd in
kinderarbeid in de West-Afrikaanse landbouw en deed voor het Amsterdams
onderzoekinstituut Irewoc (International Research on Working Children)
verschillende malen onderzoek in Burkina Faso.
De Lange was benieuwd naar de redenen die kinderen hadden om ver van huis
voor anderen te gaan werken. Net als de ex-slaaf Hermann uit Burkina Faso -
die onlangs getuigde tegen programmamaker Van de Keuken - hadden ook sommige
kinderen en tieners die De Lange sprak tijdens haar onderzoek, op
cacaoplantages in Ivoorkust gewerkt. Maar zij werden - in tegenstelling tot
Hermann - meestal betaald. Zoals het merendeel van de 200.000 kindarbeiders
die in dit belangrijkste exportland van cacao in deze industrie werken.
Het beeld van de kindslaaf dat door de actie van Van de Keuken wordt
gesuggereerd, wil De Lange dan ook bijstellen. Ze benadrukt dat we
kindarbeiders niet mogen verwarren met kindslaven. De laatste krijgen
volgens de gangbare definities van de VN niet betaald, worden gedwongen te
werken en mogen de plantage niet af. Kindarbeiders worden wel betaald en
werken uit vrije wil - uit welke noodzaak deze vrije wil dan ook geboren is.
De Lange benadrukt dat niet ieder kind op een plantage zielig is. "Het is
natuurlijk verschrikkelijk dat er kindslavernij voorkomt, maar niet iedere
kindarbeider is een slaaf. En niet iedere kindarbeider is een slachtoffer. "
Cijfers over het aantal kinderen dat niet betaald wordt, zijn er niet of
nauwelijks. De Lange: "Dat is allemaal illegaal en heel moeilijk te
onderzoeken."
Hoewel de kinderen - voornamelijk jongens in de leeftijd van tien tot
achttien jaar - in gesprekken met de antropologe toegaven dat het werk zwaar
was en niet altijd even leuk, waren ze niet altijd negatief over die
ervaring. Veel kinderen gaan volgens De Lange uit vrije wil op zoek naar
werk. Zo kwam ze erachter dat ze vaak zélf afspraken maken met ronselaars en
niet altijd - zoals vaak wordt gedacht - worden verkocht door hun ouders: "Uit
een behoefte naar onafhankelijkheid en avontuur verlaten ze hun thuis heel
bewust en ze zijn vervolgens trots als ze met een fiets, kleding of geld
terugkeren."
In sommige gevallen wordt het vertrek van huis om tijdelijk voor iemand
anders te werken, ervaren als een overgang naar de volwassenheid. Een soort
een overgangs-ritueel. De Lange: "Het feit dat je kunt vertellen dat je
elders hebt gewerkt en je eigen geld hebt verdiend, levert erkenning op van
vrienden en familie: de ervaring van de reis en het werk wordt door de
omgeving vaak als leerzaam beschouwd."
Wel merkt De Lange hierbij op dat kinderen en ouders het als positief zien
omdat ze weinig of geen alternatieven hebben: "De meesten gaan natuurlijk
liever naar school."
Natuurlijk zag De Lange ook de schrijnende gevallen. Ze sprak met kinderen
die drie jaar op een plantage werden vastgehouden door de cacaoboer, die
bleef beloven hun de volgende dag te betalen.
De Lange: "De goedgelovigheid van kinderen wordt vaak misbruikt. Het kind
wordt dan gedwongen te blijven, doordat betaling wordt uitgesteld en het
geen geld heeft voor transport. En het wil natuurlijk niet met lege handen
thuis komen." Het wordt, vindt De Lange, plantagehouders door een gebrek aan
regels en controle te makkelijk gemaakt deze kinderen vast te houden.
De oorzaken van kinderarbeid op de cacaoplantages in West-Afrika liggen
volgens De Lange niet alleen in armoede: "Je zag dat kinderen bij wie thuis
of in de omgeving voldoende werk te vinden was, toch vertrokken om elders te
werken. De oorzaak moet dan gezocht worden in de zucht naar autonomie en
onafhankelijkheid, in de behoefte aan avontuur. Bovendien vertrokken niet
alleen de aller- armsten naar de plantages, maar ook de zoon van het
dorpshoofd."
Door de status die kinderarbeid heeft in veel West-Afrikaanse landen, is het
moeilijk deze arbeid een halt toe te roepen; niet alleen armoede speelt een
rol, ook culturele factoren tellen dus mee. De plaatselijke bevolking kijkt
er vaak heel anders tegenaan dan de VN of de ILO, de Internationale
Arbeidsorganisatie. Simpelweg kinderen tegenhouden en terugsturen, zoals nu
vaak gedaan wordt, is geen goede oplossing vindt de Lange: "Dan proberen ze
het de volgende dag gewoon weer opnieuw."
Door projecten met landbouwopleidingen voor de kinderen en strengere regels
en controle voor de boeren en plantagehouders zouden volgens de Lange de
ergste vormen van uitbuiting bestreden kunnen worden. Ook strenger toezien
op een minimumleeftijd van veertien jaar zou volgens haar al veel schelen.
De plaatselijke bevolking is bereid mee te werken.
Het boycotten van cacao uit West-Afrika is volgens De Lange in ieder geval
niet de oplossing: "De gevolgen daarvan kunnen voor de kinderen en hun
ouders nog negatiever zijn." |